trekker foto
trekker
trekkerfoto's
trekkers
landbouwwerktuigen
boeren
landbouw
agrarische sector
loonbedrijven
veeteelt
miniaturen
akkerbouw
blunders
gemengd bedrijf
nostalgie
mechanisatie bedrijven
mechanisatiebedrijven
Inleiding
Gastenboek
Meldpunt
Trekkerinactie
Blunders
Nostalgie
Allerlei
Hoe het werkt
Agrarische producten
Links
U vindt op trekker in actie allemaal leuke actie foto's van trekkers op het land en daarbuiten. Ook miniaturen zijn te vinden op trekker in actie.
Het land van miniatuur trekkers wordt steeds groter omdat er steeds meer en specifiekere miniatuur trekkers komen. Ook de boeren vinden het geweldig om hun trekkers
op het internet tegen te komen. Al hun landbouw werktuigen staan ook achter de trekker en hier zijn leuke actie foto's van gemaakt. Aan meerdere trekker onderwerpen is aandacht aan besteed
en er zijn pagina's voor jong en oud. Op trekker in actie is zelfs al speelgoed te koop. Ook het ondewerp nostalgie is op trekker in actie te vinden met allemaal trekkerfoto's
van toen.
Welkom op de website Trekker in Actie.nl De trekker foto site van Nederland. De meeste foto's zijn genomen in Noord Nederland met verschillende trekkers en hun werktuigen
Je vind op trekker in actie verschillende trekkerfoto's van trekkers in actie en daarbij hun werktuigen. Kijk hoe de boeren van het noorden van nu en van vroeger
te werk gaan op de trekker of daarbuiten. Kijk ook bij de verschillende andere pagina's zoals trekker blunders, nostalgie van vroeger, trekkers in miniaturen , bedrijven in beeld, en natuurlijk de ultieme hobby van vele boeren
namelijk de trekker trek
Tractor
Een tractor (ook: trekker ) is een voertuig dat speciaal is ontwikkeld voor gebruik in de landbouw, maar nu overal wordt gebruikt. Het woord tractor (afgeleid van het Latijn: trahere dat "trekken" betekent) is een algemene omschrijving voor een voertuig dat iets kan trekken, duwen of slepen wat geen eigen aandrijving heeft.
Over het algemeen zijn de achterwielen groter dan de voorwielen. Hierdoor kan een trekker zich beter voortbewegen over het veld. Door gebruik te maken van dubbellucht, oftewel 2 paar achterwielen, kan de wieldruk afgenomen worden. Hierdoor krijgt de trekker meer grip en zakt/drukt deze minder in grond. Tegenwoordig wordt meer gebruik gemaakt van extra brede banden, tot zelfs een meter breed, om de druk te verminderen. Meer druk betekent meer insporing en schade aan de grondstructuur of het gewas, vandaar dat dit zoveel mogelijk wordt vermeden.
Achter de tractor kunnen allerlei landbouwwerktuigen worden gekoppeld waarmee geploegd, gezaaid, bemest en geoogst kan worden. Sinds de jaren zestig wordt hiervoor standaard een driepuntsophanging gebruikt die hydraulisch in hoogte kan worden versteld; een uitvinding van Harry Ferguson. Werktuigen kunnen tevens door de motor van de tractor worden aangedreven, door ze te koppelen aan de aftakas aan de voor- of achterzijde. Ook bestaat de mogelijkheid om werktuigen hydraulisch te activeren.
Bij oudere tractoren wordt de aandrijving van de aftakas door middel van de enkelvoudige koppeling gelijktijdig met de aandrijving op de wielen ingeschakeld. Tegenwoordig hebben tractoren een doordraaiende aftakas . Dat wil zeggen dat als je de dubbele koppeling laat opkomen, eerst de aftakas wordt aangedreven. De wielen worden pas aangedreven wanneer je de koppeling wat verder laat opkomen. Het voordeel is dat het door de aftakas aangedreven werktuig al op toeren is voordat je de tractor in beweging zet en dat de machine blijft doordraaien bij stoppen of van versnelling veranderen.
De meeste trekkers (oud en nieuw) hebben ook de mogelijkheid dat de aftakas niet in werking treed wanneer de koppeling wordt losgelaten. Het inwerking stellen van aftakas gebeurt dan onafhankelijk van de koppeling door middel van een hendel of draaiknop in de cabine van de trekker. (Hiermee kun je hem ook buiten werking stellen.)
Tractors kwamen op aan het eind van de negentiende eeuw. Ze werden toen door stoommachines aangedreven. In het begin van de twintigste eeuw werd overgeschakeld op vebrandingsmotoren; in Europa doorgaans op dieselmotoren en in Noord-amerika ook veel op benzine motoren, welke vaak ook geschikt zijn om op kerosine te rijden. Kerosine heeft een veel hogere ontstekingstemperatuur dan benzine. Daarom kan je dit soort tractoren, als de motor koud is, alleen maar starten op benzine. Je mag pas op petroleum overschakelen als de motor op temperatuur is. Wil je de tractor uitzetten, dan moet je vroegtijdig overschakelen op benzine, om later weer te kunnen starten met een koude motor.
Moderne tractoren zijn voorzien van een veiligheidskooi die de inzittende(n) beschermt wanneer de tractor kantelt (dit is een wettelijke verplichting). Zonder deze beveiliging kan iemand onder de tractor bekneld raken en door het gewicht ervan ernstig letsel oplopen.
In de geïndustrialiseerde wereld heeft de tractor de rol van trekdieren in het boerenbedrijf en elders vrijwel volledig overgenomen.
Er gelden diverse regels voor de trekker als voertuig op de openbare weg. Zo mag een trekker niet bestuurd worden door personen jonger dan 16 jaar en moeten 16- of 17-jarigen in het bezit zijn van een trekkerrijbewijs. Volwassenen (18+) hebben geen rijbewijs nodig.
Bepaalde technieken komen 'gewoon' overeen met een auto. Zo heeft een trekker een koppeling, rem en gaspedaal. Een trekker heeft echter vaak een rem die uit 2 delen bestaat, waardoor het mogelijk is om een specifiek wiel te remmen. Ook kent een trekker een differentieelslot, om te zorgen dat de aandrijving naar 2 (of 4) wielen tegelijk en met gelijke kracht wordt aangedreven. Trekkers kennen ook twee- of vierwielaandrijving. Optisch is dat vaak al te herkennen aan de voorbanden, die dan op de achterbanden lijken. Dit soort technieken vindt men terug in de 4x4 auto.
Een trekker heeft qua transmissie veel meer versnellingen dan een auto. Dit is nodig om zoveel mogelijk kracht te kunnen produceren en toch een exacte snelheid te kunnen rijden. Zodoende kan een trekker van zo'n 50 meter per uur tot zo'n 50 kilometer per uur rijden. Behalve handmatige transmissies, komen ook (semi-) automatische transmissies voor, al dan niet traploos.
Knikbesturing en Vierwielbesturing
Naast de gewone besturing met stuurbekrachtiging zijn er ook tractoren met knikbesturing, die vooral in de bosbouw en wegenbouw worden gebruikt. Bij knikbesturing kan de tractor in het midden knikken (draaien), waardoor er zeer korte bochten genomen kunnen worden.
Ook vierwielbesturing is mogelijk. Dit zijn machines met vier even grote wielen die allen kunnen draaien. Hierdoor krijgt men ook een kleinere draaicirkel. Voorbeelden hiervan zijn JCB Fasttrac, MB-trac van Mercedes en de werktuigendrager van Fendt. Tegenwoordig hebben de meeste merken deze techniek toegepast bij een of meerdere typen.
Kunstmest
Onder kunstmest wordt doorgaans verstaan middelen van niet-biologische oorsprong die ter bemesting van gewassen worden toegevoegd . Dit in tegenstelling tot dierlijke mest (uitwerpselen van koeien, varkens enz.). Patentkali is een kunstmest die ook in de biologische landbouw mag worden gebruikt.
Gebruik
De Duitser Jutus von Liebig (1803-1873) wordt beschouwd als de uitvinder en eerste gebruiker van kunstmest. Von Liebig onderzocht nauwkeurig welke elementen planten nodig hadden om te groeien. Daarna startte hij een proef met kunstmestgiften. In 1845 was zijn land een van de vruchtbaarste plekken van Duitsland geworden.
Als basis voor de eerste kunstmestsoorten dienden onder andere natuurlijke afzettingen van dierenuitwerpselen: Guano (bevat chilisalpeter) van zeevogels, afgezet op eilandjes waar duizenden jaren lang zeevogels hadden gebroed en waar het door vrijwel ontbrekende regenval ook niet wegspoelde, en stikstofrijke vleermuizenuitwerpselen (bat guano) die zich, ook weer in de loop van duizenden jaren in dikke lagen in grotten ophoopt waar enorme vleermuispopulaties in wonen. (6%N + 8% P 2 O 5 ) uit Peru of Argentinië. Deze natuurlijke voorraden waren al snel uitgeput.
Hoofd- en sporen-elementen
Zowel dierlijke mest als kunstmest hebben tot doel de bodem aan te vullen met stoffen die voor de optimale groei van een gewas nodig zijn. Onderscheid kan gemaakt worden in hoofd- en sporen-elementen. Van de hoofdelementen wordt voor een goede groei door het gewas veel opgenomen en van de sporen-elementen een klein beetje, vandaar deze namen.
Hoofdelementen
De hoofdelementen zijn stikstof, fosfor, kalium, calcium, zwavel en in mindere mate magnesium. Voor het verkrijgen van een goede zuurgraad (PH) van de grond wordt ook calcium toegevoegd.
Sporen-elementen
Sporen-elementen zijn de metalen ijzer, zink, koper, molybdeen, borium en kobalt.
Kunstmestfrabicage
In 1910 lukte het Fritz Haber als eerste om stikstof uit de lucht om te zetten in ammoniak. Ammoniak vormt de basis van de moderne stikstofmeststoffen.
Kunstmeststoffen
Kunstmeststoffen kunnen bestaan uit één element, de enkelvoudige meststoffen of een mengsel van elementen, de meervoudige meststoffen. Daarnaast kunnen ze in vaste of vloeibare vorm voorkomen. In water opgeloste ureum wordt o.a. gebruikt als bladbemesting in de fruitteelt. In de groenteteelt onder glas wordt zeer veel op water geteeld, waarin alle benodigde meststoffen worden opgelost. Omdat sommige meststoffen reacties met elkaar kunnen aangaan en dan niet oplosbare producten geven, wordt hier gebruikgemaakt van een zogenaamde A-bak en een B-bak of van een geautomatiseerde opstelling, vanwaaruit per element vloeibare oplossingen kunstmest gegeven wordt.
Meervoudige vaste meststoffen
Enkele voorbeelden.
NPK meststoffen: o.a. 12+10+18 bevat 12%stikstof, waarvan 7% N-NH 4 en 5% N-NO 3 , 10% P 2 O 5 en 18% K 2 O of 15+20+25 kamerplantenmest of 12+15+18 tuin- en gazonmest
Magnesamon: bevat 20% N (NH 4 NO 3 ) en 10% MgO
Patentkali: bevat 30% K 2 O, 10% MgO en 42% SO 3 (17% S)
NB: De in deze paragraaf genoemde percentages zijn gebasserd op %als. Dit wil zeggen: In 100 gram kunstmest zit zoveel kalium dat als je er K 2 O van zou maken dat 18 gram zou opleveren. Kaliumoxide is zelf veel te hygroscopisch (en daardoor gevaarlijk) om als zodanig in kunstmest verwerkt te worden. Hetzelfde geldt voor Na 2 O, MgO, P 2 O 5 en SO 3 .
Milieuverontreiniging
Het gebruik van kunstmest leidt vaak tot een verontreinigd milieu. Doordat de minerale voedingsstoffen goed oplosbaar zijn in water, komt veel voeding gedurende een korte tijd ter beschikking van planten. Een teveel aan voeding wordt uitgespoeld via het grondwater, en eindigt in vijvers en oceanen.
In deze wateren wordt de natuurlijke balans aan voedingsstoffen verstoord, met als gevolg dat ook het leven in die wateren een ander evenwicht zoekt. Dit leidt tot een grotere aanwezigheid van de van nature in water voorkomende blauwalg. In de kunstmatig hoge concentraties kan blauwalg bij heet weer afsterven en stoffen vrijmaken waardoor zwemwater onveilig wordt. Ook botulisme is vermoedelijk een indirect gevolg van het uitspoelen van kunstmest.
Ter voorkoming van deze problemen wordt er in de biologische landbouw veel aan gedaan om uitspoeling van voedingsstoffen te voorkomen -- in ieder geval voorzover dat de natuurlijke uitspoeling zou overtreffen. Voor deze vorm van landbouw geeft men daarom de voorkeur aan het gebruik van organische meststoffen, bijvoorbeeld compost, dierlijke mest of groenbemesting.
Levenloos zand
In de biologische landbouw streeft men naar het vermijden van kortstondige giften van voedingsstoffen zoals die door kunstmest worden veroorzaakt. Dit heeft tot gevolg dat de bodemvruchtbaarheid verbetert, iets waar bij het gebruik van kunstmest aan voorbijgegaan wordt, doordat de stoffen in kunstmest al voorverteerd zijn en geen dierlijke activiteit in de bodem verlangen. De gedachte achter het activeren van dit bodemleven is dat een vruchtbaarder bodem leidt tot compactere planten met een sterker wortelstelsel en meer weerstand tegen ziektes.
Proeven met gecremeerde resten van biologische gewassen en gewassen uit de gebruikelijke landbouw laten zien dat in biologische gewassen meer vaste stof zit. Dit wordt verklaard uit de kortstondige voedingspiek bij gebruik van kunstmest; tijdens deze piek groeit een plant snel, maar worden langere cellen gevormd, die minder sterk zijn en dus ook gemakkelijker ten prooi kunnen vallen aan belagers. Aanhangers van biologisch voedsel beweren dan ook dat biologisch geteelde gewassen voller van smaak zijn.
Van een minder vruchtbare bodem wordt tenslotte gezegd dat die minder bescherming biedt tegen ziektes die een plant vanuit de grond willen aantasten, zoals knolvoet.
Kunstmeststrooier
Een kunstmeststrooier is een landbouwwerktuig, dat achter een tractor gebruikt wordt om kunstmest te strooien.
Een kunstmeststrooier moet goed afgesteld zijn om een goede verdeling van de kunstmest over het land te verkrijgen. Zo moet deze goed horizontaal achter de tractor blijven hangen, zowel gevuld als bijna leeg.
Er zijn verschillende typen kunstmeststrooiers zoals een:
•Pendelstrooier
•Centrifugaalstrooier
Bij een pendelstrooier worden de kunstmestkorrels door een heen en weer gaande pendel weggeworpen en bij een centrifugaalstrooier vallen de korrels op een snel ronddraaiende schijf, waardoor de korrels worden verspreid.